Ode aan te vaak gevulgariseerde muziekwereld

Bruno Mars trapte afgelopen dinsdag de 24K Magic World Tour af in het Antwerpse Sportpaleis. Twee avonden op rij bewees hij dat een grootse show ook op een simpele, smaakvolle manier neergezet kan worden. Met een select groepje multigetalenteerde performers achter zich wist de kleine zanger met Michael Jackson-allures niet alleen zijn derde studioalbum tot leven te brengen, maar bewees hij ook de ultieme belichaming van een popster te zijn.

Hoewel het podium drie maten te groot leek voor Mars en zijn achtkoppige gezelschap, kan hij hiermee zeker niet bestempeld worden als meest buitenissige onder de artiesten. Een gigantisch scherm met op de muziek afgestelde effecten, vlammenwerpers, confetti en opstijgende podiumelementen gooien intussen geen hoge ogen meer bij de gemiddelde concertganger. Zeker niet wanneer dat alles slechts sporadisch ingezet wordt tijdens de show. Dat zelfs (half)naakte vrouwen tegenwoordig nog maar weinig indruk maken, lijkt de zanger ook begrepen te hebben. Ondanks de vaak seksistische aard van zijn muzikale odes aan de vrouw, koos Mars niet voor hitsig twerkende dames rond zijn lijf, maar wel voor buitensporig getalenteerde artiesten aan zijn zijde. Een lofzang voor de tegenwoordig te vaak gevulgariseerde muziekwereld.

En die was op een subtiele, stijlvolle manier in de show geïntegreerd. Met een stel gepassioneerde muzikanten, die ook zangers, dansers en entertainers bleken te zijn, deed het optreden soms nostalgisch aan jazzbands uit de roaring twenties denken. Een uit de tijd van de boombox stammend, glimmend trainingspak, witte sneakers, gouden ketting en een overdosis energie maakten trompet spelen opeens wel erg cool. Denk daar nog elektrische gitaren, een drumstel, een keyboard, een paar pittige moves like Jagger en een ultramodern podium bij en de 24K Magic Tour doorheen de moderne muziekgeschiedenis is compleet. Of hoe Bruno Mars, met zijn volmaakt zuivere stemgeluid, het ultieme eindproduct is van een stevig geëvolueerde, excentrieke popcultuur.

Advertenties

Inferno: het vagevuur tussen boek en film

De verfilming van Dan Browns vierde Robert Langdon-verhaal bevestigt het vermaarde cliché: het boek is beter dan de film. Wat in het begin een waardige opvolger van Angels & Demons en The Da Vinci Code leek, draaide uit op een onplezierige ontnuchtering voor zij die het boek gelezen hebben.

Inderdaad, het vierde Robert Langdon-verhaal: na Angels & Demons en The Da Vinci Code verscheen immers The Lost Symbol, waarin de schrandere universiteitsprofessor ook de hoofdrol speelt. Hollywood besloot echter dit boek niet te verfilmen en meteen Inferno naar het witte doek te brengen. Misschien hadden zij, net als auteur Dan Brown, genoeg van geheime religieuze genootschappen en sprak de actuele problematiek uit het voorlopig laatste boek in de reeks hen meer aan.

Kort door de bocht: de Aarde is besmet met het virus dat de Mens heet. Één of andere charismatische wetenschapper denkt daar de oplossing voor gevonden te hebben: een epidemie die de wereldbevolking zal halveren. En er is maar één man die de verspreiding ervan kan voorkomen. Origineel? Niet echt. Inferno, the movie sluit slechts aan in het rijtje van apocalyptische rampenfilms waarvan er de laatste vijftien jaar al zoveel gemaakt zijn. En dat is oneindig bedroevend, want Inferno, the book slaat je met verstomming. Op zijn gebruikelijke manier sleept Dan Brown de lezer mee in het verhaal, bouwt hij spanning op en geeft hij onontkoombare informatie mee om dan te overweldigen met een ontknoping van weergaloze eenvoud. Inferno, the movie brengt je in staat van opwinding maar blijft het geanticipeerde intellectuele orgasme schuldig. Of hoe het weglaten van een klein beetje informatie het hele verhaal naar beneden haalt.

Inferno, the movie:   Afbeeldingsresultaat voor 1,5 star rating
Inferno, the book:     Afbeeldingsresultaat voor 1,5 star rating

Drama in een dramatisch landschap

The Revenant is geen prettige confrontatie met het menselijke

A revenant: iemand die uit de dood opstaat. De thesaurus geeft als synoniemen ook geest, fantoom, verschijning mee. Regisseur Alejandro González Iñárritu en crew dreven hun interpretatie van die definitie tot het uiterste bij het maken van hun gelijknamige film The Revenant. En wie was er meer gemotiveerd dan de tot voor kort Oscarloze Leonardo Di Caprio om de rol van getormenteerde geestverschijning te vertolken? Na het lezen van het script was dat antwoord waarschijnlijk: niemand. Jamie Fox (Django Unchained, 2012) en Chiwetel Ejiofor (12 Years a Slave, 2013) hadden zich op dat vlak al bewezen.

Daarbij komt nog dat er van zwarte mannen in de periode en het gebied waarin de film zich afspeelt nog amper sprake was. De Oscars te blank? Deze film zou aan geloofwaardigheid hebben ingeboet moest de hoofdrol niet door een blanke man gespeeld worden. Het staat zo in de geschiedenis geschreven.

Het onmenselijke van het menselijke

De eerste beelden zetten de toon van de film al snel: een korte scène met ijskoud stromend water waaraan een eland nietsvermoedend zijn laatste dorst zal laven, wordt al gauw ingewisseld voor beelden van een slachtpartij waarbij zowel de cowboys als de indianen grote verliezen lijden. Typische Hollywoodactie, maar dan net dat tikkeltje gruwelijker. De dagen waarop helden vanop hun paarden de vijand met één klap neersloegen, zijn voorbij. Filmmakers specialiseren zich tegenwoordig in het rauwe realisme, het onmenselijke van het menselijke, het smerige van naaktheid.

Dat is ook wat deze film wil laten zien: naast het hoofdverhaal, dat het ondraaglijke lijden van hoofdpersoon Hugh Glass (Leonardo Di Caprio) heel confronterend in beeld brengt, vertelt Iñárritu ons ook het verhaal van stroper John Fitzgerald (Tom Hardy). Hij werd in een onbepaald verleden door de indianenstam Ree half gescalpeerd. Daar hield hij een serieus trauma aan over dat hij verbergt onder een dikke laag Amerikaanse mannelijkheid, maar dat hem ook heel de film lang tot onmenselijke daden drijft. Een ondankbare rol die niet met een beeldje bekroond werd.

Dat het onmenselijke ook net heel menselijk is, lijkt het zwaarwegendste thema van de film. Een man die aangevallen wordt door een beer, zijn verwondingen amper overleeft, hulpeloos de moord op hele volkeren, zijn vrouw en zijn zoon moet aanschouwen, verraden wordt door de leden van zijn expeditie en opgejaagd wordt door verschillende indianenstammen en kolonisten, wordt logischerwijs gereduceerd tot een man gedreven door zijn instinct om te overleven. Dat instinct leidt tot afstotelijke, huiveringwekkende scènes. De beelden van een prachtige, dramatische natuur zijn het enige dat het bekijken van de ruim tweeënhalf uur durende film enigszins draaglijk maakt.

Typische plotlijnen

Wat de film zo bijzonder maakt, is de focus op die eindeloze, intense lijdensweg. Geen prettige confrontatie voor de kijker: wie ter ontspanning The Revenant even opzet, komt bedrogen uit. Verder is het een typisch wraakverhaal dat we al vaker gezien hebben; Hugh Glass houdt maar aan één ding vast tijdens zijn tocht door het ijskoude Missouri: “John Fitzgerald heeft mijn zoon vermoord.” Zijn dode vrouw zoekt hem op in zijn ijldromen, hangt rond hem als de dood zelf, klaar om hem mee te nemen naar het – in vergelijking met zijn situatie – vredige hiernamaals. Herkenbaar?

De indianenstammen die ook door het land dwalen, lijken elke blanke die hun pad kruist zonder meer te willen vermoorden. Ook de Franse kolonisten – die echt Frans spreken, geen Amerikaanse poging ertoe – staan vijandig tegenover alles en iedereen. Een treffende leuze die aan het opgehangen lichaam van een indiaan bengelt, vat in zijn onpersoonlijke vorm de moraal van de film mooi samen: on est tous des sauvages.

sterren

De oorlog in Syrië verjaart

Met die ongelukkige woordkeuze meldde het VRT-journaal gisteren dat de oorlog in Syrië nu al vijf jaar aan de gang is. De oorlog is jarig. Alsof er iets te vieren valt. Met Call of Duty-achtige beelden op de achtergrond werden de feiten nog eens even op een rijtje gezet. 250 000 doden. Het zouden er ook 470 000 kunnen zijn. Miljoenen vluchtelingen waarvan vijftien procent stierf aan ondervoeding of ziekte. Een conflict waar ondertussen tien partijen aan deelnemen en waarmee de VS en Rusland zich ook nog even zijn gaan bemoeien. Het wordt de grootste humanitaire crisis van onze tijd genoemd.

Met een krop in mijn keel knipper ik de tranen weg. Het zijn niet zozeer de beelden van wanhopige mensen, geruïneerde steden, om hun moeder schreeuwende kinderen of opstijgende rookpluimen die me het diepste raken. Het is de man die zonder verpinken vertelt hoe vijftien kinderen die vredesboodschappen op muren geschilderd hadden, gevangen genomen en gefolterd werden. Één van hen overleefde dat niet, kwam er nog het beste vanaf. De man die er onrechtstreeks getuige van was geweest, huilde niet, zonk niet op zijn knieën, leek niet krankzinnig. Is dat nog menselijk?

De media blijven consistent in hun berichtgeving, proberen de Westerse mens met het lijden van de Arabische mens te confronteren; aangespoelde lichamen van peuters, massa’s vluchtelingen gevangen op de grens van een beter leven, borelingen die met ijskoud regenwater op de wereld verwelkomd worden, verkrachtte vrouwen, tentenkampen in de modder. Een jungle noemen ze het. Europa het paradijs vol giftige appels dat een ontvangstcomité biedt van vrijwilligers en van donaties levende hulporganisaties. Was het verschaffen van humanitaire hulp maar even rendabel als de wapenindustrie.

Aan een tempo van zeven bombardementen per dag menen de VS alle kwaad van de kaart te kunnen vegen. Rusland is al van mening dat ze hebben gedaan wat ze konden. Nu is het aan jullie, getraumatiseerde, geïsoleerde, geradicaliseerde overgeblevenen, om de situatie recht te trekken. Die leeggelopen landen zal Donald Trump binnenkort, indien hij tot president verkozen wordt, opnieuw van een bevolking voorzien.

Voetbal: koploper op gebied van naastenliefde, maar ook op dat van onsportief gedrag

No to racism, de slogan waarmee UEFA zo trots campagne voert. Logisch; zonder talent uit het buitenland zouden de competities er helemaal anders uit zien. Één man is in het voetbal maximaal 246,5 miljoen euro waard. “Welcome home,” zei een journalist onlangs nog tegen Ally Samatta, aanvaller bij Racing Genk en van Tanzaniaanse afkomst. In de rest van Europa wordt er gesmeekt om de grenzen te sluiten. Voetbal, koploper op gebied van naastenliefde, maar ook op dat van onsportief gedrag.

Het fluitje van de scheidsrechter klinkt schel. Het spel wordt stilgelegd. Supporters beginnen te joelen, de spelers draaien zich verontwaardigd om. Ze maken schunnige gebaren, sluiten de man die instaat voor het naleven van de spelregels in, roepen, tieren en spugen naar hem. Een bekend beeld in het voetbal. Het vergt heel wat moed om daar te blijven staan, omgeven door een scheldende massa, om kalm te blijven, die kaart te trekken. Dat is exact wat de arbiter die nagetrapt werd door een speler van het Italiaanse Castel San Niccolo deed: kalm blijven staan (video). Een mindere man zou er al lang vandoor zijn gegaan. Zoek het maar uit, met jullie hawk-eye.

Ook de Vlaamse Kevin Timmermans werd onlangs nog het slachtoffer van een dergelijk incident dat op fysiek geweld uitdraaide. Eind september vorig jaar werd hij op zijn neus geslagen tijdens een reservenwedstrijd tussen Vliermaal en Rutten. Hij wilde net een rode kaart opschrijven toen de speler in kwestie zich omdraaide en hem in zijn gezicht sloeg. De sfeer tijdens de wedstrijd zat goed, hij had het niet zien aankomen, verklaart Timmermans in Karen & De Coster (fragment). Hij werd wakker in het ziekenhuis, van de wedstrijd zelf herinnert hij zich nagenoeg niets. Het was niet de eerste keer dat de jonge arbiter het slachtoffer werd van fysiek geweld tijdens een voetbalwedstrijd: in het verleden kreeg hij ook al een stamp in zijn maag. Dries Craeghs (20) gaf zijn veelbelovende carrière als scheidsrechter op na een gewelddadig incident met een speler (15 jaar) en diens vader.

“Mentaal zat het nadien helemaal niet meer goed. Ik was achttien jaar en floot wedstrijden in derde provinciale. Mijn ambities om hogerop te komen heb ik opgegeven.”

Het zijn geen alleenstaande gevallen: een studie van de KU Leuven die in 2014 gepubliceerd werd, toonde aan dat 85,9% van de voetbalscheidsrechters in België al eens het slachtoffer werd van agressie. 33,2% kreeg te maken met fysiek geweld, 79,2% met psychische agressie en 61% werd al eens bedreigd. Hallucinante cijfers die je, ondanks wat Bart Huylebroeck (koninklijke voetbalbond) beweert, niet in andere sporten tegenkomt. Wanneer er in het basketbal een fout wordt gefloten, steekt de bewuste speler gewoonlijk zijn hand op. Zelden gaan de spelers in discussie met de drie arbiters op het veld, een technische fout snoert hen meestal meteen de mond. In het tennis genieten succesvolle umpires dan weer veel aanzien. Het zegt echter al genoeg dat er geen cijfermateriaal te vinden is over het onderwerp bij andere sporten. Waarom is het voor voetballers, hun trainers en supporters zo moeilijk om respect te hebben voor de beslissingen van de scheidsrechter?

Uit een onderzoek van het scheidsrechterscomité van wereldvoetbalbond FIFA blijkt dat in 96% van de beslissingen de arbiters en hun assistenten het bij het juiste eind hadden tijdens het WK in Zuid-Afrika in 2010. Vanwaar dan al dat protest en steeds weer die intimidatie? Ook een hawk-eye lijkt in dat licht overbodig, maar de veiligheid van de scheids- en lijnrechters is een deugdelijk argument voor de invoering ervan in het voetbal; niemand zal effectief zo’n camera stuk slaan. Toch?

Ijskoud maar zinderend

Zevenentwintig. Dat is jong maar eigenlijk ook niet. De taal lijkt jonger. Er zou een nieuw woord gevonden moeten worden voor die combinatie Nederlands en Engels, dat vreemde accent dat wij aan de uitspraak geven, het onhandig overnemen van zegswijzen die we verwarren met de onze. Engerlands. Neder-Engels. De mengtaal van de Lage Landen, ten zuidoosten van het eiland dat zich beter zou afscheuren van de Europese Unie. Dat heeft de natuur immers al voorgedaan.

Lize Spit confronteert je met het leven. Een onwaarschijnlijk verhaal dat over je buren zou kunnen gaan. Zo voelt het ook. De Kempen. Dat is niet zo ver van Antwerpen. Haar observaties zijn zo scherp dat het pijn doet, de marginaliteit waarin ze je meesleurt is afstotelijk en tegelijk intrigerend. Een samenleving in al zijn naaktheid. Langzaam, bijna tergend, vertelt ze het verhaal van Eva, laat het bijna abrupt tot een climax komen. Je zou het een anti-climax kunnen noemen, ware het niet dat Spit de lezer er herhaaldelijk voor waarschuwt dat wat ze te vertellen heeft gruwelijk is. Het verhaal smelt, even langzaam als het blok ijs dat Eva in haar kofferbak vervoert. Spit toont je het onderste van de ijsberg.

Misselijkmakend. Goed.